U bevindt zich op: Home Rol ketenpartners Ziekenhuis Bloed(wissel)transfusie

Bloed(wissel)transfusie

Informatie over de uitvoering van de hielprikscreening indien er sprake is van bloed(wissel)transfusie.

Direct naar:

Beleid bij bloed(wissel)transfusie

Met ingang van 1 januari 2014 is het beleid bloed (wissel)transfusie gewijzigd. Uit internationaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het geoorloofd is een interval van 24 uur te hanteren tussen een bloed(wissel)transfusie en het verrichten van de hielprik in plaats van het vroeger gehanteerde interval van 48 uur (Clinical and Laboratory Standard Institute (CLSI) document I/LA31--A).

Met het hanteren van een interval van 24 uur tussen bloed(wissel)transfusie en de hielprik worden afwijkende uitslagen eerder opgespoord. Daarnaast wordt bij registratie van het exacte bloedproduct (bij screeningen in het ziekenhuis) bij veel kinderen een herhaalde eerste hielprik voorkomen.

naar boven

Algemene regels

  • Indien een pasgeborene een bloed(wissel)transfusie heeft gehad dan moet minimaal 24 uur gewacht worden alvorens de hielprik af te nemen. Bloedproducten bevatten plasma en dit kan een foutieve uitslag van het screeningsonderzoek geven. Een bloedtransfusie bij de moeder heeft geen invloed op de hielprik bij het kind.
  • Normaliter wordt de hielprik zo spoedig mogelijk na 72 uur na de geboorte afgenomen. In uitzonderingsgevallen (bijvoorbeeld wanneer het kind een bloedtransfusie moet krijgen) mag de hielprik al na 48 uur na de geboorte afgenomen worden. Op het setje moet dan vermeld worden: ‘Eerder geprikt in verband met bloed(wissel)transfusie’. De hielprik vindt dan plaats voorafgaande aan de transfusie (maar nooit eerder dan 48 uur na de geboorte).
  • Wanneer een hielprik is verricht binnen 24 uur na een bloed(wissel)transfusie dan moet een herhaalde eerste hielprik verricht worden 24 uur na het einde van de laatste bloedtransfusie. Wanneer er een bloedtransfusie is toegediend met erytrocyten dan moet na 91 dagen een herhaalde eerste hielprik voor hemoglobinopathie (HbP) afgenomen worden.

    naar boven

Toelichting

Aan de neonaat kan een aantal bloedproducten intraveneus worden toegediend: erytrocytenconcentraat (packed cells), trombocytenconcentraat of plasma (FFP). Deze korthoudbare bloedproducten bevatten een kleine hoeveelheid plasma. Het donorplasma kan zorgen voor fout-negatieve uitslagen omdat componenten uit dit donorplasma een afwijkende waarde bij het kind kunnen maskeren. Daarom geldt voor alle kort houdbare bloedproducten een minimum interval van 24 uur tussen het einde van de laatste transfusie en de hielprik.

Verder is van belang dat indien de hielprik heeft plaatsgevonden ná een erytrocytentransfusie, een herhaalde eerste hielprik voor HbP nodig is, namelijk 3 maanden (91 dagen) na de laatste transfusie. Bij de analyse op HbP wordt immers gekeken naar hemoglobine, afkomstig uit de erytrocyten (rode bloedcellen). Na 3 maanden is geen verstorend effect meer te verwachten van de donor- erytrocyten.

naar boven

Toedienen bloedproduct binnen 72 uur na de geboorte

Wanneer een kind binnen 72 uur de geboorte een bloedproduct nodig heeft dan gelden de volgende regels:

  • Leeftijd kind ≥ 48 uur: Als de transfusie later dan 48 uur na de geboorte kan plaatsvinden, dient eerst de hielprik verricht te worden, alvorens de transfusie wordt toegediend.
  • Leeftijd kind < 48 uur: Als een transfusie moet plaatsvinden binnen 48 uur na de geboorte dient de hielprik te worden uitgesteld tot tenminste 24 uur na de transfusie. Na 91 dagen volgt een hielprik voor hemoglobinopathie.

    naar boven

Procedure bij hielprik binnen 24 uur na toediening van een bloedproduct

  1. De hielprikset wordt wel geanalyseerd waarbij ‘negatieve’ uitslagen als ‘niet classificeerbaar’ worden beschouwd. Indien echter in deze hielprikset voor een ziekte (behalve HbP) een afwijkende uitslag is gevonden, dan wordt het kind toch verwezen.
    Uitgangspunt hierbij is dat een (bloed)transfusie niet leidt tot fout-positieve uitslagen.
  2. Bij een niet-conclusieve uitslag volgt voor die uitslag een tweede hielprik.
  3. Een afwijkende uitslag voor HbP wordt altijd als ‘niet classificeerbaar’ beschouwd. Pas na een herhaal- de eerste hielprik na 91 dagen kan bepaald worden of het kind voor HbP verwezen dient te worden.

 

Conclusie:

  1. Er is voor alle ziektes behalve voor HbP een herhaalde eerste hielprik nodig, ten minste 24 uur na toediening van het bloedproduct.
  2. Indien er erytrocyten zijn toegediend, is daarnaast een herhaalde eerste hielprik voor HbP nodig 3 maanden (91 dagen) na de toediening van het bloedproduct.

    naar boven

Instructie hielprikscreener bij het invullen van de hielprikkaart

  • Wacht met het afnemen van een hielprik 24 uur na het einde van de laatste bloedtransfusie.
  • Een bloedtransfusie bij de moeder heeft geen invloed op de hielprik bij het kind.

Screener in de thuissituatie:

  • Vul het gedeelte van de bloedtransfusie in.
  • Noteer tijdstip einde laatste transfusie en tijdstip hielprik.

Screener in het ziekenhuis:

  • Vul het gedeelte van de bloedtransfusie in.
  • Noteer tijdstip einde laatste transfusie en tijdstip hielprik.

naar boven

Instructie medewerker RIVM-DVP

  1. Wanneer een hielprik heeft plaatsgevonden binnen 24 uur na een bloedtransfusie dan zal een opdracht voor een herhaalde eerste hielprik worden aangemaakt (zowel een herhaalde eerste hielprik ná 24 uur na bloedtransfusie als een herhaalde eerste hielprik na 91 dagen).
  2. Wanneer een hielprik heeft plaatsgevonden na 24 uur na een bloedtransfusie dan zal na een transfusie met rode bloedcellen een opdracht voor een herhaalde eerste hielprik 91 dagen na de laatste bloedtransfusie worden aangemaakt.
  3. Afhankelijk van het gegeven bloedproduct is een herhaalde eerste hielprik na 91 dagen al dan niet nodig.
  4. Na een bloedtransfusie registreert de RIVM-DVP-medewerker welk bloedproduct is gegeven (staat op hielprikkaart of wordt door de RIVM-DVP-medewerker nagevraagd bij het ziekenhuis).
  5. Wanneer het kind een bloedtransfusie met erytrocyten heeft ontvangen dan wordt een herhaalde eerste hielprik na 91 dagen aangeboden. De indicator bloedtransfusie blijft op ‘ja‘ staan.
  6. Wanneer het kind alleen trombocyten of bloedplasma heeft gekregen dan is een herhaalde eerste hielprik na 91 dagen niet nodig. In overleg met de medisch adviseur wordt in deze situatie de indicator bloedtransfusie op ‘nee’ gezet. Er wordt geen opdracht tot een herhaalde eerste hielprik na 91 dagen aangemaakt.

    naar boven

Bloedproducten: gebruikte begrippen bij transfusie en consequentie voor de hielprik

  1. Erytrocytentransfusie (packed cells)
  2. Wisseltransfusie: het grootste gedeelte van het circulerend bloed wordt vervangen door donorerytrocyten.
  3. ECMO: Extra Corporele Membraan Oxygenatie (‘hart-long machine’). Tijdens ECMO worden altijd kort houdbare bloedproducten gegeven.
  4. IUT: Intra Uteriene Transfusie (met donorerytrocyten)
  5. Plasma (fresh frozen plasma): toedienen van donorplasma.
  6. Trombocytentransfusie: toedienen van donortrombocyten.

Bij situatie 1 tot en met 4:

  • Hanteer minimaal een 24- uurs interval tussen het einde van de laatste transfusie en de hielprik.
  • Er volgt een aanbod herhaalde hielprik 3 maanden na laatste transfusie voor HbP onderzoek.

Bij situatie 5 en 6:

  • Hanteer minimaal een 24-uurs interval tussen het einde van de laatste transfusie en hielprik.
Interval tussen de bloedtransfusie en de hielprik voor de verschillende producten schematisch weergegeven

 

Bloedtransfusie met:

hielprik na 24 uur

hielprik
na 3 maanden

Erytrocyten (packed cells)

Ja

Ja

Erytrocyten wisseltransfusie

Ja

Ja

Erytrocyten ECMO

Ja

Ja

Plasma (FFP)

Ja

Nee

Trombocyten

Ja

Nee

naar boven

Zoeken:

Service