U vindt hier de overzichten van de definities in de neonatale hielprikscreening; van de aandoeningen, de merkers, de gebruikte technieken en de laboratoria (anders dan de regionale screeningslaboratoria) die vervolgtesten uitvoeren; en van de afkortingen van deze merkers.

BegripDefinitie
À termeGeboorte na een zwangerschapsduur van minimaal 36 weken en 1 dag (≥36+1).
AfkapgrensResultaat van het bloedonderzoek op een bepaalde merker (vaak is het de concentratie van die merker in het bloed) waarboven of waaronder de hielprikuitslag afwijkend is.
Afkapgrens betekent hetzelfde als afkapwaarde.
Afwijkende uitslagHet resultaat van een of meer merkers in het hielprikbloed valt buiten de normaalwaarden voor neonaten; het kind wordt verwezen naar het ziekenhuis voor diagnostiek.
Autosomaal recessiefEen erfelijke aandoening is autosomaal recessief als beide ouders van een kind met deze aandoening drager zijn van de aandoening, zonder daar zelf de symptomen van te hebben. Bij elke zwangerschap van deze ouders is de kans 25 procent dat het kind uit deze zwangerschap de aandoening heeft.
Bovenregionale geboorteSituatie waarbij een kind in een andere gemeente is geboren dan de gemeente waar de moeder woont en waarbij de geboortegemeente bovendien in een andere (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)-regio ligt dan de gemeente waar de moeder woont.
DoelziekteDe doelziekte is de variant of zijn de varianten van de aandoening waar de neonatale screening op gericht is. De screening wordt zodanig ingericht dat bij voorkeur alle kinderen met die variant of varianten worden opgespoord en geen of zo min mogelijk kinderen met een andere variant (nevenbevinding).
Fout-negatieve uitslagHiervan is sprake als de uitslag van de hielprik goed is en er dus geen verwijzing naar het ziekenhuis plaatsvindt, maar het kind een van de aandoeningen waarop wordt gescreend toch blijkt te hebben.
Fout-positieve uitslagHiervan is sprake als na een afwijkende hielprikuitslag uit het vervolgonderzoek in het ziekenhuis blijkt dat het kind de aandoening waarvoor het is verwezen toch niet heeft.
Gecombineerde uitvoering van de screeningDe neonatale hielprikscreening en de neonatale gehoorscreening worden in combinatie uitgevoerd.
Gemist kindEen kind met een aandoening waarop gescreend wordt, maar dat niet met de hielprikscreening is opgespoord. Dat kan veroorzaakt worden door een fout-negatieve hielprikuitslag, maar ook bijvoorbeeld doordat een kind niet heeft deelgenomen aan de hielprikscreening of door een procedurefout.
Goede uitslagDe resultaten van de analyses van het hielprikbloed vallen allemaal binnen de normaalwaarden voor neonaten. Er is geen vervolgactie nodig (behalve het versturen van het bericht goede uitslag aan de ouders). Ook negatieve uitslag genoemd.
Herhaalde eerste hielprik (HEH)Indien er sprake is van ‘onvoldoende vulling’ dient de hielprikafname herhaald te worden. Om verwarring met de term ‘tweede hielprik’ te voorkomen, wordt gesproken van een herhaalde eerste hielprik.
HielprikgegevensDit zijn de uitslagen van het bloedonderzoek. Daarnaast ook gegevens zoals de zwangerschapsduur en het geboortegewicht, die van belang kunnen zijn voor het goed interpreteren van de uitslagen van het bloedonderzoek. De naam, adres en woonplaats van het kind zijn geen hielprikgegevens.
HielprikkaartDe hielprikkaart bestaat uit twee delen: de filtreerpapierstrook en het gegevensdeel. Op de filtreerpapierstrook wordt het bloed van de pasgeborene opgevangen. Op het gegevensdeel van de hielprikkaart worden de gegevens van het kind en over de zwangerschap geregistreerd. Ook wordt op het gegevensdeel geregistreerd of ouders het willen weten als hun kind drager blijkt te zijn van sikkelcelziekte, en of zij toestemming geven voor het bewaren en gebruiken van overgebleven hielprikbloed en hielprikgegevens voor wetenschappelijk onderzoek om de hielprikscreening te verbeteren.
HielpriksetDe hielprikset bestaat uit: de hielprikkaart (bestaande uit de filtreerpapierstrook, waarop het bloed van de pasgeborene wordt opgevangen, en het gegevensdeel); een pleister; een antwoordenvelop (medische post) voor ongefrankeerde verzending van de hielprikkaart naar het desbetreffende screeningslaboratorium en een buitenenvelop, waar de screener de persoonsgegevens van het kind en de datum van de hielprikafname op noteert.
De buitenenvelop blijft bij de ouders.
De buitenenvelop, de filtreerpapierstrook en het gegevensdeel van de hielprikkaart zijn voorzien van een identiek uniek nummer, het setnummer.
Het hielpriklancet is geen onderdeel van de hielprikset en wordt apart geleverd.
HPCLHigh Performance Liquid Chromatography; een van de analyseapparaten waarmee het bloedonderzoek voor de hielprikscreening wordt uitgevoerd.
Informed consentGeïnformeerde toestemming van de ouder. Dit gaat over toestemming voor deelname aan de hielprikscreening. Dit gaat daarnaast ook over toestemming voor het ontvangen van de uitslag dragerschap sikkelcelziekte (ja/nee), als hiervan sprake is, en toestemming voor het vijf jaar lang bewaren van overgebleven hielprikbloed en hielprikgegevens voor wetenschappelijk onderzoek om de hielprikscreening te verbeteren.
MS/MSTandem Massaspectrometer; een van de analyseapparaten waarmee het bloedonderzoek voor de hielprikscreening wordt uitgevoerd.
Negatieve uitslagDe resultaten van de analyses van het hielprikbloed vallen allemaal binnen de normaalwaarden voor neonaten: de hielprikuitslag is goed, er is geen vervolgactie nodig (behalve het versturen van het bericht goede uitslag aan de ouders).
(Neonatale Registratie Afwijkende Hielprikscreening)Landelijke database NEOnatale Registratie Afwijkende Hielprikscreening (NEORAH). De resultaten van de hielprikscreening en van de diagnostiek van kinderen die zijn verwezen naar het ziekenhuis vanwege een afwijkende hielprikuitslag en van gemiste kinderen worden in deze database vastgelegd.
NevenbevindingSoms wordt door de gebruikte laboratoriumtest onbedoeld een aandoening of erfelijke aanleg gevonden waar niet specifiek naar wordt gezocht. Dan is sprake van een nevenbevinding.
Niet-conclusieve uitslagEr is sprake van een resultaat van het bloedonderzoek op basis waarvan nog geen conclusie over de hielprikuitslag getrokken kan worden.
Na een niet-conclusieve uitslag volgt een tweede hielprik. 
NormaalwaardenRange van uitslagen van het bloedonderzoek die normaal zijn voor neonaten die de aandoeningen waarop gescreend wordt niet hebben.
Onvoldoende vullingVan onvoldoende vulling is sprake indien op het filtreerpapier van een hielprikkaart te weinig of bloed van onvoldoende kwaliteit is verzameld. Als er bijvoorbeeld bloed over bloed op het filtreerpapier is gedruppeld, of de bloedvlek niet zichtbaar is aan de achterkant van de hielprikkaart, dan is het bloed niet bruikbaar voor een betrouwbare hielprikscreening.
Oudere kinderenKinderen die bij het afnemen van de eerste hielprik 60 dagen of ouder zijn. Vaak zijn dit kinderen van ouders die als vluchteling naar Nederland zijn gekomen.
(Programmacommissie neonatale hielprikscreening)Programmacommissie neonatale hielprikscreening
PrematuurIn relatie tot neonatale hielprikscreening: een kind dat te vroeg geboren is (zwangerschapsduur van 36 weken of minder) én dat een te laag geboortegewicht (2500 gram of lager) heeft. 
Onder ‘heel prematuur’ wordt in de neonatale hielprikscreening verstaan: een zwangerschapsduur van minder dan 33 weken.
qPCRReal-time kwantitatieve polymerasechainreactie; een van de analysemethoden waarmee het bloedonderzoek voor de hielprikscreening wordt uitgevoerd.
RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RIVM-GZBCentrum Gezondheidsbescherming van het RIVM
ScreenerDegene die de hielprik uitvoert. Meestal een medewerker van de jeugdgezondheidszorg, soms een verloskundige, kraamverzorgende of (in ziekenhuizen) verpleegkundige of laborant.
ScreeningslaboratoriumRegionaal laboratorium dat het bloedonderzoek uitvoert.
SetnummerUniek nummer dat staat op beide delen van de hielprikkaart. Ook staat hetzelfde setnummer op de witte buitenenvelop. Zie ook Hielprikset.
Het setnummer bestaat uit 8 cijfers, waarbij de eerste 2 cijfers het betreffende RIVM-regiokantoor aanduiden en de laatste 6 cijfers het volgnummer zijn.
Tijdigheid van de hielprikTijdigheid heeft betrekking op het moment waarop de hielprik wordt afgenomen ten opzichte van de geboortedatum van het kind. Hiervoor gelden landelijke afspraken, die in dit Draaiboek opgenomen zijn.
Toevallige geboorteSituatie waarbij een kind in een andere gemeente is geboren dan de gemeente waar de moeder woont.
Dit kan ook betekenen dat de gemeente waar het kind is geboren in een andere RIVM-regio ligt dan de gemeente waar de moeder woont (bovenregionale geboorte).
Tweede hielprik (THP)Indien bij de eerste hielprik sprake is van een niet-conclusieve uitslag wordt een tweede hielprik (THP) afgenomen.
Verloskundig zorgverlener (VKZ)Een verloskundige, een verloskundig actieve huisarts of een gynaecoloog.
VervolgonderzoekVervolgonderzoek bestaat uit een tweede hielprik of uit verwijzing naar een (gespecialiseerde) kinderarts.
VerwijstermijnDe tijd die maximaal mag verstrijken tussen het moment van bekend worden van de hielprikuitslag in een screeningslaboratorium en het moment dat het betreffende kind onder de verantwoordelijkheid van een kinderarts is.
AandoeningAfkortingMerker*Gebruikte techniekLaboratorium anders dan de screeningslaboratoria**
Adrenoleukodystrofie (adrenoleukodystrofie)

1st tier: C26:0-LPC

2nd tier: X

3rd tier: C26:0-LPC

4th tier: ABCD1

1st tier: MS/MS

2nd tier: QF-PCR

3rd tier: (High Performance Liquid Chromatography)-MS/MS

4th tier: DNA-sequencing

2nd tier: niet-screeningslaboratorium bij Amsterdam (Universitair Medisch Centrum), Afdeling Humane Genetica

3rd en 4th tier: niet-screeningslaboratorium bij Amsterdam UMC, Laboratorium Genetische Metabole Ziekten

Biotinidase deficiëntie (Biotinidase deficientie)BIOTautomatische fluoro-immunobepaling 
Carnitine palmitoyltransferase deficiëntie type 1CPT1C0, C0/(C16+C18)MS/MS 
Congenitale adrenale hyperplasie (congenitale adrenale hyperplasie)

1st tier: 17OHP

2nd tier: 21DOCL

1st tier: automatische competitieve fluoro-immunobepaling

2nd tier: LC-MS/MS

2nd tier: alleen screeningslaboratorium Amsterdam
Cystic fibrosis (cystic fibrosis)

1st tier: IRT

2nd tier: PAP

3rd tier: CFTR-gen

4th tier: EGA

1st tier: IRT, automatische fluoro-immunobepaling

2nd tier: handmatige fluoro-immunobepaling

3rd tier: capillaire electoforese

4th tier: DNA-sequencing CFTR-gen (EGA)

3rd tier: alleen screeningslaboratorium Tilburg en Zwolle

4th tier: niet-screeningslaboratorium bij Amsterdam UMC, locatie (VU Medisch Centrum Amsterdam), Laboratorium Genoomdiagnostiek

Carnitine transporter deficiëntie
(nevenbevinding)
(Carnitine Transporter)COMS/MS 
Congenitale hypothyreoïdie (congenitale hypothyreoïdie)

T4

(thyreotropine)

TBG

Automatische fluoro-immunobepaling

Automatische fluoro-immunobepaling

Handmatige fluoro-immunobepaling

 
Galactokinase deficiëntieGALK

GALT

TGAL

Automatische semi-kwantitatieve enzymatische fluorescentiebepaling

Automatische fluorescentiebepaling

 
Klassieke galactosemieGALT

GALT

TGAL

automatische semi-kwantitatieve enzymatische fluorescentiebepaling

automatische fluorescentiebepaling

 
Glutaaracidurie type I (Glutaaracidurie type I)C5DCMS/MS 
Isovaleriaan acidurie (Isovaleriaan acidurie)

C5

C2/C5

MS/MS

MS/MS

 
Long-chain hydroxyacyl-CoA dehydrogenase deficiëntie (Long-chain hydroxyacylCoA dehydrogenase deficiëntie)C16OHMS/MS 
Maple syrup urine disease (Maple syrup urine disease)

Leucine

Valine

Phe/Leu

MS/MS

MS/MS

MS/MS

 
Medium-chain acylCoA dehydrogenase deficiëntie (Medium-chain acyl CoA dehydrogenase deficiëntie)

C8

C8/C10

MS/MS

MS/MS

 
Methylmalon acidemieMMAmethylmalonzuurLC-MS/MSReferentielaboratorium en niet-screeningslaboratorium bij Amsterdam UMC, locatie (Academisch Medisch Centrum Amsterdam)
Mucopolysaccharidose type 1 (Mucopolysaccharidose I)

1st tier: IDUA

2nd tier: GAGs (DS en HS)

MS/MS

MS/MS

2nd tier: niet-screeningslaboratorium bij Amsterdam UMC, locatie AMC, Laboratorium Genetische Metabole Ziekten

3-methylcrotonyl-CoA-carboxylase deficiëntie;

(HMG-CoA-lyase deficiëntie)-CoA-lyase deficiëntie;

Multipele CoA carboxylase deficiëntie

3-MMC, HMG en (Multipele CoA carboxylase deficientie); samen aangeduid als 3MHM C5OHMS/MS 
Phenylketonurie (Phenylketonurie)

phe

phe/tyr

MS/MS

MS/MS

 
Propionyl acidemiePA

C3, C3/C2 en C3/C16

MCA

MS/MS

LC-MS/MS

 
Severe combined immunodeficiency (Severe combined immunodeficiency)TREC, ACTBqPCR 
Sikkelcelziekte
(dragerschap sikkelcelziekte is een nevenbevinding)
(Sikkelcelziekte)hemoglobinenHPLC 
Spinale musculaire atrofie (spinale musculaire atrofie)SMN1, ACTBqPCR 
Bèta-thalassemie majorTM hemoglobinen HPLC 
Alfa-thalassemieHbHhemoglobinenHPLC 
Tyrosinemie type I (Tyrosinemie type I)succinylacetonMS/MS 
Very long-chain acylCoA dehydrogenase deficiëntie (Very-long-chain acyl CoA dehydrogenase deficiëntie)

C14:1

C14:1/C2

MS/MS

MS/MS

 

Zie de tabel “Overzicht afkortingen merkers” voor de volledige namen van de gebruikte afkortingen van de merkers.

** Alle eerste teststappen (1st tiers) worden in alle screeningslaboratoria uitgevoerd. Sommige vervolgtiers ook. Andere vervolgtiers worden slechts in één of twee van de screeningslaboratoria of in een ander laboratorium (niet-screeningslaboratorium) uitgevoerd, vanwege de kleine aantallen en soms ook vanwege de complexiteit van de analyse. De laatste situatie wordt hier in de laatste kolom van de tabel vermeld.

Afkorting van merkerVolledige naam
21DOCL21 deoxycortisol
ABCD1ATP-binding cassette, subfamilie D, lid 1 gen
ACTBactine beta gen
BIOTbiotinidase
C0vrij carnitine
C3propionylcarnitine
C10decanoylcarnitine
C10:1decenoylcarnitine
C14tetradecanoylcarnitine
C14:1tetradecenoylcarnitine
C14:2tetradecadienoylcarnitine
C16hexadecanoylcarnitine
C16OH3-OH hexadecanoylcarnitine of 3-OH palmitoylcarnitine
C18octadecanoylcarnitine; oleoylcarnitine
C18:1OH3-hydroxyoleoylcarnitine
C2acetylcarnitine
C26:0-LPCC26:0 lysophosfatidylcholine
C52-methylbutyrylcarnitine of isovalerylcarnitine
C2/C5ratio van isovalerylcarnitine en acetylcarnitine
C5DCglutarylcarnitine
C5OH3-OH-isovalerylcarnitine
C6hexanoylcarnitine
C8octanoylcarnitine
C8/C10ratio van octanoylcarnitine en decanoylcarnitine
DNA-analysedesoxyribonucleinezuur-analyse
DSdermatansulfaat
GAGSglycosaminoglycanen
GALTgalactose 1-fosfaat uridyltransferase
HbXhemoglobines
HSheparansulfaat
IDUAalfa-L-iduronidas
IRTimmunoreactief trypsinogeen
Leuleucine/isoleucine/alloisoleucine
MCAmethylcitroenzuur
(Methylmalon acidemie)MBmethylmalonzuur (metaboliet)
OHP17-alfa-hydroxyprogesteron
PAPpancreatitis associated protein
phephenylalanine
phe/tyrratio van phenylalanine en tyrosine
sasuccinylaceton
SMN1survival motor neuron 1 gen
T4Tthyroxine
T4-SDSD-waarde van thyroxine
T4-SD/TBGratio van de T4-SD-waarde en TBG
TBGthyroxine bindend globuline
TGALtotaal galactose
(thyreotropine)schildklier stimulerend hormoon
TRECT-cell receptor excision circles
tyrtyrosine
val valine
XX-chromosoom (aantal)