Als de uitslag van de hielprik niet-conclusief is, dan is een tweede hielprik (THP) nodig.
Bij een niet-conclusieve uitslag is er sprake van een nog niet te interpreteren laboratoriumbevinding. Dit is aanleiding om een tweede hielprik (THP) aan te vragen.
Een tweede hielprik geeft meer duidelijkheid of er mogelijk sprake is van een aandoening. De licht afwijkende bevinding van de eerste hielprik kan namelijk ook te maken hebben met andere factoren, zoals een vroege hielprikafname, stress of vroeggeboorte van het kind.
Er zijn vier aandoeningen waarbij de uitslag van de hielprik niet-conclusief kan zijn:
Is de uitslag van de tweede hielprik afwijkend of weer niet-conclusief? Dan wordt het kind verwezen naar een (gespecialiseerd) kinderarts.
Bij een goede uitslag van de tweede hielprik krijgen de ouders twee weken na de tweede hielprik van het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) een brief met de goede uitslag.
Op welk tijdstip neem je de tweede hielprik af?
- (congenitale hypothyreoïdie), (spinale musculaire atrofie) en (Carnitine Transporter)-deficiëntie: De screener voert de tweede hielprik uit op de dag van de hielprikopdracht, tenzij dat niet mogelijk is. In dat geval wordt de hielprik uiterlijk een werkdag later afgenomen.
- (Severe combined immunodeficiency): Een tweede hielprik voor SCID wordt minimaal een week na het bekend worden van de niet-conclusieve uitslag uitgevoerd. Het moment is afhankelijk van de zwangerschapsduur. Bij prematuur geboren kinderen wordt de tweede hielprik voor SCID pas afgenomen op het moment dat de zwangerschapsduur, als het kind nog niet geboren zou zijn, 36 weken en 1 dag zou zijn.
- Deze informatie ontvangt de screener in de hielprikopdracht van het (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).
- Zie ook het document Afkapgrenzen en beslissingscriteria neonatale screening.