Een tweede hielprik is nodig bij een niet-conclusieve uitslag.

Uitvoering tweede hielprik (THP Tweede Hielprik )

Een tweede hielprik is nodig ingeval de uitslag niet-conclusief is. Er zijn drieziektebeelden binnen de hielprikscreening waarbij sprake kan zijn van een niet-conclusieve uitslag, namelijk  CHSCID en carnitine transporter (OCTN2) deficiëntie.

Bij een niet-conclusieve uitslag is er sprake van een nog niet te interpreteren laboratoriumbevinding, naar aanleiding waarvan een tweede hielprik wordt aangevraagd. Een tweede hielprik geeft meer duidelijkheid of er sprake is van een vermoeden op een aandoening, of dat de licht afwijkende bevinding van de eerste hielprik te maken heeft met andere factoren, zoals een vroege hielprikafname, stress of vroeggeboorte van het kind. Een tweede hielprik CH congenitale hypothyreoïdie en OCTN2 Carnitine Transporter wordt zo snel mogelijk na het bekend worden van de niet-conclusieve uitslag gepland. Een tweede hielprik SCID Severe combined immunodeficiency wordt minimaal een week na het bekend worden van de niet-conclusieve uitslag gepland, en is afhankelijk van de zwangerschapsduur waarbij het kind geboren is. Bij prematuur geboren kinderen wordt de tweede hielprik pas gepland op de leeftijd dat het kind een zwangerschapsduur van 36 weken en 1 dag zou hebben. 

Indien de bevinding bij deze tweede hielprik afwijkend of weer niet-conclusief is, wordt het kind verwezen naar een (gespecialiseerde) kinderarts. Ouders krijgen bij een goede uitslag na een tweede hielprik altijd bericht van het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Uitvoering tweede hielprik als op basis van de screeningsuitslag van het kind geen conclusie mogelijk is voor CH, SCID of carnitine transporter (OCTN2) deficiëntie:

  • De screener krijgt van DVP Dienst Vaccinvoorziening & Preventieprogramma’s de opdracht om een tweede hielprik af te nemen. 
  • De screener verricht een tweede hielprik zo spoedig mogelijk direct nadat het RIVM-DVP het verzoek heeft gedaan.
  • De screener vermeldt op de hielprikkaart de reden voor de THP en verwijst naar de eerdere setcode en/of het labnummer. Deze gegevens ontvangt de screener in een brief van het RIVM-DVP.
  • Hier vindt u meer informatie over de afkapgrenzen en beslissingscriteria neonatale screening.

Indien gebruik van glucocorticoïden (bijvoorbeeld hydrocortison, predniso(lo)n, dexamethason), dan hielprik pas op dag 7-9 na stop glucocorticoïde.